Er moet het een en ander veranderen
HRM-beleid
in de 21e eeuw
Er zijn de laatste
maanden erg veel publicaties verschenen over HRM-beleid in relatie tot een
aantal zaken:
▪
Vanwege werken2.0 (zie bijvoorbeeld www.ambtenaar20.nl) waarbij medewerkers (veel)
minder fysiek op de werkplek aanwezig zijn en (dus) meer afgerekend moeten
worden op hun output in plaats van op hun throughput, Van2005 tot 2008 heb ik
voor een aantal business units van Bouwfonds de functiebeschrijvingen hierop
aangepast, maar dat is wat mij betreft nog maar het begin. Van 2.0 hadden we
toen nog nooit gehoord.
▪
Vanwege de uitstroom van ca. 1 miljoen medewerkers,
die geboren zijn tussen 1945 en 1950,
▪
Vanwege het feit dat de nieuwe generatie (Y en/of
Einstein) andere eisen stelt aan loopbaan(paden), uitdagingen, ontplooiing en
beloning,
maar ik heb nog maar weinig bedrijven gezien, dat
daar nu actueel op inspelen en hun beleid daarop aanpassen.
Bovenstaande punten
hebben (in ieder geval) gevolgen voor recruitment, beloningsbeleid, functiebeschrijvingen,
functiewaardering, loopbaanpaden, talentmanagement, competentiemanagement,
leeftijdsfasebewust P&O-beleid en dan natuurlijk de samenhang daartussen.
Veel belangrijker
is echter dat het management zich bewust moet zijn dat leidinggeven in deze
nieuwe context andere eisen stelt. In Personeelbeleid van mei stond een aardig
artikel over dit onderwerp, dat ik hieronder integraal opneem.
Over de nieuwe
vormen van beloning ben ik in gesprek met:
1. Jos Jansen,
werkzaam als econoom bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
en schrijver van de nota ‘Arbeidsparticipatie Ouderen’, die minister Donner
in december 20009 naar de Tweede Kamer heeft gezonden. De nota gaat over het
feit dat 50-plussers in verhouding tot jongeren te veel verdienen, waardoor zij
– als ze werkloos worden - moeilijker
aan een baan kunnen komen. In de meeste ons omringende landen is dat verschil
veel kleiner. Een ander punt dat Donner
aansnijdt is dat medewerkers in het ‘spitsuur van het leven’ graag meer zouden willen
verdienen ten koste van dat hogere salaris later.
In samenwerking met
IMS de gruijter meijerink & partners te Rotterdam heb ik (zeer grofmazig)
een tweetal ideeën uitgewerkt hoe deze problematiek aangepakt zou kunnen worden
en we hebben daarover van gedachten gewisseld met Jos Jansen en een aantal
collega’s, die geïnteresseerd zijn in het onderwerp.
De nota ‘Arbeidsparticipatie Ouderen’ is op internet te
vinden op het volgende adres: http://docs.minszw.nl/pdf/35/2009/35_2009_3_13675.pdf.
2. Studentalent. Zij hebben onderzoek gedaan, workshops
georganiseerd en een boekje geschreven over de wensen van de nieuwe generatie
m.b.t. de arbeidsmarkt, belonen, ontplooiing etc. Studentalent noemt hen De
Nieuwe Lichting. Onderstaand een gedeelte uit hun onderzoek:
De Nieuwe Lichting heeft een aantal eigenschappen
die hen volgens Studentalent onderscheidt van andere generaties:
▪
Een eigen levens- en werkstijl van virtueel
samenwerken, communiceren, netwerken en kennis delen;
▪
Is gewend aan verschillende culturele invloeden,
snel schakelen, multi-tasken en bewegen in een wereld vol mogelijkheden;
▪
Is beter in het verzamelen van kennis en informatie
en is anders in het verwerken ervan;
▪
Is geïnteresseerd in uitdagende projecten en
functies, maar ook snel weg als het minder boeiend wordt;
▪
Wordt ervaren als grillig en lastig te binden en is dus voor het bedrijfsleven een
uitdaging.
De vraag is dus hoe bestaande organisaties met hen
om moeten gaan. Het is een feit is dat deze groep de komende jaren instroomt op
de arbeidsmarkt. Organisaties zullen opnieuw moeten vechten om hoogopgeleide
starters te werven en te binden. Zeker als daarbij betrokken wordt dat de
komende jaren ca. 1 miljoen arbeidskrachten uitstromen (de na-oorlogse
babyboomgeneratie, geboren tussen 1945 en 1955).
Studentalent gelooft in het Darwinnprincipe:
'survival of the fittest'. Vitale en energieke organisaties maken gebruik van
de natuurrlijke vernieuwingsdrang van jonge mensen. Ze waarderen en steunen
deze. De impulsen die dit oplevert geeft een organisatie overlevingskansen. En
ook: voorsprong op concurrenten die dit niet doen. Het devies van Studentalent: omarm De nieuwe
lichting! Leer met hen te werken en communiceren om jezelf te verbeteren. Zeker
in het licht van de vergrijzing is de organisatie die dit het beste doet de
'fittest'. De boodschap van Studentalent is: koester De nieuwe
lichting en geef ze ruimte. Jongeren zijn noodzakelijk om organisatieculturen
een vitale impuls te geven. De zittende generatie X heeft veel moeite moeten
doen om invloed te krijgen, dat patroon kan zich makkelijk herhalen. Zij
moesten zich toen aanpassen en vinden dat de jongeren van nu dat ook moeten
doen. Een dubbel negatief effect. Jonge mensen leren zich aanpassen in plaats
van te vernieuwen, maar vernieuwing is juist nodig om te overleven.
Tegelijkertijd heeft de nieuwe generatie de
vakkennis van senior medewerkers nodig om innovaties te realiseren. De
verbinding tussen beide groepen vormt de optimale motor voor vernieuwing en
innovatie, en ook voor het voortbestaan van organisaties. Zie ook hun website www.denieuwelichting.nl.
3. Sectie Young Professionals van de NVP, die een aantal bijeenkomsten
heeft georganiseerd rond het thema generatiemanagement. Binnenkort wordt een afrondend symposium georganiseerd, waarin de vertaalslag naar de
praktijk wordt gemaakt vanuit de reeks van 4 bijeenkomsten waarbij steeds
vanuit het perspectief van de generatie Y naar andere generaties is gekeken.
Alle generaties die nu actief zijn op de arbeidsmarkt zijn aan bod gekomen; van
Y tot de Pragmaten, tot X en Protest.
Op woensdag 16 juni aanstaande worden
alle resultaten gebundeld en gekoppeld aan het effectief inzetten van de
overeenkomsten en verschillen tussen generaties op de werkvloer. Door middel
van het vertonen van de filmpjes die zijn gemaakt tijdens de bijeenkomsten, kan
er worden gereflecteerd op de generatiespecifieke ervaringen. Hierdoor wordt
het mogelijk om door een andere bril naar verschillende generaties te kijken en
daadwerkelijk met elkaar in dialoog te gaan over een ultieme samenwerking die
waarde toevoegt voor organisatie en individu.
4. Pieter Klein, die een nieuw instrument heeft
ontwikkeld om de passie van medewerkers in beeld te krijgen. De Passieloper®
wordt als instrument gebruikt om de visie van de organisatie en de passie van
de medewerker helder te maken.
De Passieloper is
gebaseerd op een model van G. Bateson en R. Dilts.
Bateson is de grondlegger
van het model van de neurologische niveaus. Een model dat inzicht geeft in de
redenen van functioneren. Het model bestaat uit een zevental niveaus: Omgeving,
Gedrag, Vaardigheden, Waarden en Overtuigingen, Identiteit, Passie en Visie.
Het is enerzijds
een analysemodel om een compleet en indringend beeld te verkrijgen van een
medewerker, team, afdeling of organisatie. Vervolgens wordt het voor het
organiseren van de werkzaamheden gebruikt.
De
vraag is wat het werken volgens het model van de Passieloper voor gevolgen
heeft voor functies, taakafbakening, beoordeling en beloning, zeker in
combinatie met de eisen/wensen van de nieuwe generatie.
Gevolgen voor het management
Een en ander heeft
grote gevolgen voor het management van organisaties en de wijze waarop zij hun
talentmanagement moeten aanpassen. Twijnstra Gudde heeft daarover op 08-01-2009
reeds een notitie geschreven. Onderstaand een paar citaten hieruit:
“Talentmanagement is een veel gebruikte term
vandaag de dag. Een kleine greep uit de literatuur toont aan dat het vraagstuk
rondom het binnenhalen, benutten en behouden van talent een van de meest zware
beproevingen wordt voor organisaties in het komende decennium. De vraag naar
jong talent groeit exponentieel, net zoals het aantal traineeships, high
potential programma’s en talenttrajecten. Toch lijken organisaties nog niet het
juiste antwoord op deze problematiek te hebben geformuleerd. Organisaties geven
gemiddeld
€ 20.000,-- per trainee, per jaar uit in een
traineeship (exclusief salaris, wervingskosten
en HR formatie). Aan de andere kant toont recent
onderzoek aan dat 90% van de hoog opgeleide starters in Nederland binnen twee
jaar de eerste werkgever verlaat. Organisaties erkennen de noodzaak en de
urgentie van het talentvraagstuk dan ook volledig. Jammer genoeg moet
geconstateerd worden dat de onderbouwing van deze noodzaak hier veelal ophoudt
en men niet kan specificeren wat de ‘juiste mensen’ zijn en hoe zij op een
‘specifieke manier’ kunnen bijdragen aan het ‘succes’ van de organisatie.
………..
Traineeships of andersoortige jong
talentprogramma’s schieten als paddenstoelen uit de grond. Na een tijdelijke
stop op dergelijke programma’s door de recessie, is de ‘war on talent’ nu heviger losgebarsten dan ooit tevoren. De
strijd om toptalenten verschuift zelfs van de arbeidsmarkt naar de hogere- of
zelfs middelbare scholen; bedrijven stapelen lokkertje op lokkertje om de
concurrentie voor te blijven en tijd noch geld wordt gespaard om het meest
‘fancy’ programma op te tuigen. Maar biedt een
‘fancy’ programma wel garantie voor succes? En bindt je daarmee het juiste
talent aan je?
………..
Medewerkers worden een steeds belangrijkere asset
bij het realiseren van de strategische business doelstellingen van een
organisatie (zgn. Human Capital). Een van de grootste en meest complexe
uitdagingen voor organisaties in de komende tien jaar is dan ook het
aantrekken, behouden en ontwikkelen van de juiste mensen in de organisatie. Het
credo is dan ook: nu vast investeren in de medewerkers van de toekomst. So far
de algemene gedachtegang op basis waarvan organisaties jong talentmanagement
als een kritische succesfactor beschouwen om in de toekomst levensvatbaar en
succesvol te blijven. Echter,
een pragmatische doorvertaling van de strategische
businessdoelstellingen naar de invulling van jong talentmanagement ontbreekt
veelal. Hierdoor heeft men weinig zicht op wat men met jong talentmanagement
wil bereiken (doelstellingen), welke talenten men daarvoor nodig heeft en hoe
deze talenten gevonden, ontwikkeld en behouden kunnen blijven voor de
organisatie.”
Het hele artikel is
te vinden op: http://www.twynstragudde.nl/PDF/Artikelen/Jongtalentmanagement.pdf
Tenslotte
Als gevolg van het
bovenstaande zullen producten en diensten ontwikkeld en/of aangepast moeten worden Managers zullen zich
hiervan bewust moeten worden en hun managementstijl hierop aan moeten passen.
Ik zal daar graag een bijdrage aan leveren.
Ik kom dan ook
graag in gesprek met bedrijven, die dit een interessant onderwerp vinden en
daarover met mij van gedachten willen wisselen en zodoende tot aangepast beleid
en instumentarium kunnen komen.
Reacties en
uitnodigingen voor een gesprek zijn meer dan welkom.
Onderstaand het
artikel uit Personeelbeleid.
MuurbloempJes
Managers zijn debet
aan de verguisde zesjescultuur in Nederland. Het ontbreekt hen aan de
vaardigheden om medewerkers op de juiste manier aan te sturen. Vooral de
middenmoters binnen organisaties ontgelden het. Zij krijgen de minste aandacht
van de manager. Terwijl juist bij deze groep de meeste effectiviteitswinst te
behalen valt.
In de afgelopen
vijftien jaar is het aantal managers verdrievoudigd. Volgens Berenschot telt
Nederland er nu ruim 300.000. Dat is 4,6 procent van de werkzame beroepsbevolking.
De groei van het aantal managers is echter niet gelijk aan de ontwikkeling
van de professie. De meeste managers beheersen het aansturen van medewerkers
onvoldoende. Een probleem dat daarbij komt is dat veel managers een leidinggevende
functie hebben gekregen omdat zij inhoudelijk sterk zijn in hun vak. Op hun
leidinggevende kwaliteiten hebben zij de managersfunctie niet veroverd. De
resultaten zijn pijnlijk zichtbaar. In vrijwel elk onderzoek moet de manager
het ontgelden. Hij of zij scoort vaak maar een mager zesje.
Schrijven en rapporteren
De oorzaken hiervan
zijn ook bekend. Managers besteden veel te weinig tijd aan het managen. Volgens
onderzoek van lpsos, in opdracht van Steelcase Benelux, besteedt de Nederlandse
manager maar 27 procent van zijn tijd aan leidinggeven. De meeste werktijd gaat
op aan het schrijven van rapporten en het maken van analyses. De rest van de
tijd gaat zitten in projecten die samen met collega's of partners worden
uitgevoerd. De tijd die de Nederlandse manager besteedt aan leidinggeven, ligt
ver onder het Europese gemiddelde van veertig procent. Onze oosterburen zijn
uitblinkers. Duitse managers besteden 49 procent van hun tijd aan leidinggeven.
De onderzoekers van
Ipsos concludeerden dat de manier van leidinggeven sterk cultureel bepaald is.
Nederlandse managers gaan uit van een grote mate van zelfstandigheid en bevoegdheid.
Dit zit diepgeworteld in onze culturele geschiedenis. Toezicht en autoriteit
zijn uit den boze en worden al snel uitgelegd als blijk van wantrouwen.
Zelfstandigheid van medewerkers staat bij ons hoog in het vaandel. Voor de
andere landen is dat te kort door de bocht. Directe aansturing is daar veel
gebruikelijker. Daar heerst een patriarchale cultuur.
Hoofdlijnen
Het aansturen van
medewerkers is voor alle managers een opgave, ongeacht de culturele
achtergrond. Maar door de typisch Nederlandse weerstand tegen controle, hebben
managers nog meer de neiging om in te binden op aansturing van personeel.
Daardoor verschuift de focus van managers naar andere terreinen, zoals
processen en strategie. Managers in Nederland zijn gewend om te denken op
hoofdlijnen. Een globale taakomschrijving achten zij voldoende.
Uitvoerende
medewerkers zijn juist gericht op detail zodat de taak naar behoren uitgevoerd
kan worden. Zij zien de onkunde van hun leidinggevende met lede ogen aan. Van
hun managers verwachten zij uitdagend werk, duidelijke instructies,
teambuillding, inspiratie en feedback, maar krijgen dit niet. Ontwikkeling van
medewerkers vindt weliswaar plaats, maar dan vaak in de vorm van trainingen die
niet direct betrekking hebben op het dagelijkse werk, bijvoorbeeld een acquisitietraining.
Hierdoor blijft aandacht voor uitvoerend werk liggen, wat ten koste gaat van de
motivatie van medewerkers en het bedrijfsresultaat.
Vooral de
middenmoot binnen bedrijven moet het ontgelden. Vaak heeft een bedrijf drie
groepen medewerkers: een groep werkt boven zijn kunnen, een groep werkt onder
zijn kunnen en er is een deel dat doormoddert, de middenmoters. De meeste
aandacht van de manager gaat uit naar de groep die slecht presteert, terwijl
daar de minste effectiviteitswinst valt te behalen. Meer aandacht voor de groep
die gemiddeld presteert, zou aanzienlijk meer resultaat opleveren. Vooral omdat
deze groep zeker de competenties heeft om te excelleren maar een extra zetje in
de rug nodig heeft.
Werkklimaat
Het gebrek aan een
goede aansturing resulteert vaak in een negatief werkklimaat wat een
voedingsbodem wordt voor onderlinge conflicten, gebrek aan openheid en
irritaties. In negatieve werkomgevingen redeneren zowel medewerkers als
managers vanuit vooroordelen in plaats vanuit nieuwsgierigheid en begrip. De
gebrekkige managementvaardigheden leiden ertoe dat managers slechts oordelen
vanuit hun eigen referentiekader. Als zij zelf assertief zijn, verwachten zij
deze deugd ook bij hun medewerker terug te vinden. Ontbreekt het de medewerker
hier aan, dan valt een beoordeling negatief uit en kan dit consequenties hebben
voor de werkrelatie. Gedrag wordt vaak niet begrepen en sneller veroordeeld.
Naarmate de
turbulentie in organisaties toeneemt, verlangen medewerkers meer van hun
managers. Ook het topmanagement verwacht een gedegen aansturing door het
middenmanagement. Zeker nu de globalisering toeneemt en de concurrentiepositie
van Nederland wankelt. Het probleem bij veel managers is echter dat ze niet goed
weten hoe ze succesvol leidinggevende kunnen worden. De werkdruk binnen
organisaties is hoog en de manager wordt geleefd. Ruimte om hun leidinggevende
competenties te repareren is er nauwelijks. Voor de vele uren training die dit
vergt, ontbreken uren en budget. Bovendien zijn cursussen waarin managers de
vaardigheden aangeleerd krijgen om daadwerkelijk meer uit het personeel te
halen, niet zo in trek. Liever bezoeken ze statusgevoelige cursussen, zoals een
MBA in One day.
Remedie
Er is een
eenvoudige remedie om managers beter te laten focussen op het leidinggeven. Dit
kan in de vorm van learning on the job. Het Panacee-model is een methode
hiervoor. Deze methode is ontwikkeld aan de universiteit van Twente om managers
nieuwe focus te bieden op hun oorspronkelijke kernvaardigheden: het aansturen
van medewerkers. De term is de samenstelling van de begrippen Programmeren,
Activeren, Normeren, Animeren, Controleren, Evalueren en Evolueren. Het is een
cyclus die managers bij elke taak moeten doorlopen. Hulp van buiten hebben zij
hier niet voor nodig. Bij programmeren brengen zij in kaart wat zij gaan doen
en bij activeren verwoorden zij hoe ze hun taak gaan uitvoeren. Normeren wil
zeggen dat de manager voor zichzelf aangeeft wat het beoogde resultaat van de
taak is. Bij animeren geeft hij aan hoe plezierig de taak is. Bewustwording van
de arbeidsvreugde is belangrijk, omdat de manager daardoor beter onderkent
welke aspecten onplezierig zijn. Onderkenning is de basis voor het aanpakken
van problemen. De volgende actie is om weerstanden te pareren en de taak uit te
voeren. De laatste stap in dit zelfhulpproces is om te evalueren hoe het
uitvoeren van de taak is verlopen. Tenslotte is het de bedoeling dat het
zelfinzicht dat voortkomt uit deze stappen, wordt ingezet bij de uitvoering van
een nieuwe taak.
Deze methode is een
eenvoudig hulpmiddel om medewerkers structuur te bieden. Het is de bedoeling
dat managers meer op vragende dan op stellige wijze hun manier van werken onder
de loep nemen. Ook een heldere tijdsindeling is belangrijk. Zestig procent van
de beschikbare werktijd moet zitten in het bespreken van de doelstellingen van
de opdracht. Het doorspreken van de uitvoering van de opdracht beslaat dertig
procent. Voor de evaluatie is dan nog maar tien procent van de tijd nodig.
Gezag
Door dit model
consequent te hanteren, komen niet alleen de juiste vragen aan bod in het werk
van de manager, maar ook de juiste antwoorden te geven. Het helpt de manager om
de medewerker te coachen op doelen. In het begin voelt het doorlopen van deze
stappen in het Panacee-model aan als het volgen van autorijles. Onwennig en
omslachtig in het begin. Maar door frequente toepassing verkrijgt de managers
steeds meer souplesse in effectief leidinggeven.
Hierdoor winnen
managers op een natuurlijke manier aan gezag. Door het gedetailleerde proces
waarmee zij hun leidinggevende kwaliteiten leren beheersen, vermijden zij
cultureel bepaalde weerstanden tegen autoriteit. Het zorgt voor gemotiveerde
medewerkers die zich loyaal zullen tonen richting de organisatie. Bovendien
zorgen de afgebakende kaders ervoor dat medewerkers weten wat zij moeten doen
en hoe ze dat moeten doen, zonder dat dit ten koste gaat van het gevoel van
vrijheid. Managers dragen hierdoor aantoonbaar bij aan het succes van de
organisatie.
personeelbeleid •
mei· 2010 27
|